Inleiding
Dans

Inleiding
Dans

De Nederlandse dans kent een grote diversiteit aan genres en stijlen. Het grootste deel van het dansaanbod wordt gesubsidieerd in het kader van de basisinfrastructuur of wordt ondersteund door het Fonds Podiumkunsten. Daarbij nemen de vier dansgezelschappen in de BIS hoofdzakelijk het ballet en de groot gemonteerde moderne dans voor hun rekening. De dynamiek in de danssector wordt vooral mogelijk gemaakt door de middelgrote en kleine dansinstellingen die door het Fonds Podiumkunsten worden ondersteund; deze gezelschappen tonen meer interdisciplinaire dans, cross-overs, hedendaagse dans, performatieve dans en urban dance.

De vier dansgezelschappen in de basisinfrastructuur hebben als taak om onderscheidend, grootschalig dansrepertoire te verzorgen. Een van deze instellingen heeft specifiek een kerntaak in het tonen van repertoire op het gebied van ballet; een instelling heeft een kerntaak op het gebied van moderne dans in een internationale context en een instelling heeft een kerntaak op het gebied van jeugddans. Voor elk van deze plekken is in de regeling een vast subsidiebedrag vastgesteld, variërend van 1.650.000 euro tot 6.950.000 euro.

Alleen de vier dansinstellingen die op dit moment deel uitmaken van de basisinfrastructuur hebben een subsidieaanvraag ingediend. Dit zijn Het Nationale Ballet, het Nederlands Dans Theater, Introdans en Scapino Ballet Rotterdam. De raad heeft deze vier instellingen positief beoordeeld en adviseert deze gezelschappen ook de komende periode in de basisinfrastructuur op te nemen.

Overlap en afstemming

De raad is in het algemeen positief over de kwaliteit van het aanbod van de vier BIS-dansgezelschappen. Omdat de vier gezelschappen gezien hun opdracht in de basisinfrastructuur een beperkt deel van de rijkdom van de Nederlandse dans representeren, vindt de raad het belangrijk dat ze elkaar zo veel mogelijk aanvullen en dat er zo min mogelijk overlap plaatsvindt. Daarom betreurt hij het dat verschillende BIS-dansgezelschappen regelmatig dezelfde choreografen op het programma zetten. De raad spoort de gezelschappen aan om zich ten opzichte van elkaar meer te onderscheiden en zich waar mogelijk, binnen het eigen artistieke profiel, ook open te stellen voor ontwikkelingen in de dans, bijvoorbeeld op het gebied van cross-overs en interdisciplinair werk.

De raad vindt dat de dansgezelschappen in de basisinfrastructuur een gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de danssector in het algemeen. Het is belangrijk dat de vier instellingen hun beleid en profilering op elkaar afstemmen. In de eerste plaats om de genoemde overlap op het gebied van het repertoire zo veel mogelijk te vermijden. Daarnaast om elkaar aan te vullen op het gebied van het reisbeleid. Een dergelijke profilering is nu ook al zichtbaar bij de vier gezelschappen. Net als bij de theatergezelschappen tekent zich ook bij enkele dansgezelschappen, namelijk het Nederlands Dans Theater en Scapino, de tendens af om het aantal speelplekken te beperken en met die podia een nauwere band aan te gaan. Introdans daarentegen kiest voor een heel uitgebreid reisbeleid. Die onderlinge complementariteit kan nog effectiever worden als de gezelschappen hun reisbeleid met elkaar afstemmen. De raad heeft in de subsidieaanvragen van de dansgezelschappen helaas niets gelezen over onderlinge samenwerking of afstemming. Hij verwacht van de instellingen dat ze op dit terrein meer gezamenlijke verantwoordelijkheid nemen.

Talentontwikkeling

Met ingang van de huidige subsidieperiode hebben de dansgezelschappen de expliciete taak gekregen om de talentontwikkeling van nieuwe makers te ondersteunen. De instellingen namen daarmee een kerntaak van productiehuizen over, die niet langer in de basisinfrastructuur waren opgenomen. De raad constateert dat er op dit gebied veel waardevolle initiatieven ontstaan, bijvoorbeeld in de vorm van samenwerking met productiehuizen. Ook hebben enkele gezelschappen oog voor jong talent en bieden zij hen kansen om choreografieën te maken. Wel zou de raad op dit vlak nog iets meer samenwerking en ook doorstroming van fondsgesubsidieerde gezelschappen naar de BIS-instellingen willen zien.

Productiehuizen zijn van oudsher, en nog steeds, goede plekken waar nieuwe choreografen zich kunnen ontwikkelen. De raad heeft voor de komende subsidieperiode ook de aanvragen beoordeeld van productiehuizen die opteren voor een plek in de basisinfrastructuur. Vanwege de beperkte kwaliteit en de lage kwantiteit van de aanvragen met veel aandacht voor dans is de raad er niet in geslaagd een productiehuis positief te honoreren dat specifiek getalenteerde choreografen begeleidt. Des te groter is de verantwoordelijkheid van de BIS-gezelschappen om de geringe ontwikkelcapaciteit voor jong talent op te vangen.

Aan de talentontwikkeling van dansers wordt overigens al heel lang volop aandacht besteed door middel van goede contacten met het kunstvakonderwijs, instroom van jong talent, het bestaan van het NDT2 voor prillere dansers en de Junior Company bij Het Nationale Ballet. De raad waardeert deze aandacht voor jonge dansers zeer.

De raad constateert dat de dansgezelschappen over het algemeen nog weinig beleid beschrijven op het gebied van culturele diversiteit. Hij betreurt dit, omdat de danstaal universeel is en de bevolking steeds meer cultureel divers is. De initiatieven die wel op dit vlak zijn genomen, zoals een samenwerking van de Junior Company en ISH, vindt de raad lovenswaardig. Hij is van mening dat de dansgezelschappen op dit gebied meer inspanningen kunnen verrichten.

De raad juicht het toe dat de dansgezelschappen grote verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen erfgoed. Deze gezelschappen bestaan al vele tientallen jaren en hebben in die tijd een indrukwekkend repertoire aan choreografieën opgebouwd. De gezelschappen schrijven in hun plannen dat ze bezig zijn het materiaal van hun producties te digitaliseren en te ontsluiten.