Aantekeningen per beoordelingscriterium

De beoordeling van 118 aanvragen geeft de raad een beeld van het functioneren van BIS-instellingen en van organisaties die toetreding tot de BIS ambiëren. Hierna lopen wij onze observaties per criterium langs en verbinden daaraan aanbevelingen voor beleid en nader onderzoek.

Voorafgaand aan de beoordeling van elke instelling op basis van de criteria hebben de commissies zich eerst rekenschap gegeven van de missie, de visie en het profiel van de instelling. De raad vindt het belangrijk dat instellingen hun plannen en activiteiten laten aansluiten op het eigen profiel. Een profiel dat past bij de artistieke signatuur of collectie, dat rekening houdt met eigen kwaliteiten, met de lokale omgeving of juist met het internationale speelveld waarin de instelling zich wil bewegen. Meer aandacht voor een eigen profiel betekent dat een culturele instelling zich herkenbaar en onderscheidend kan positioneren. Ze kan daarmee een interessante partner worden voor andere culturele of maatschappelijke organisaties, of voor sponsoren. Over het algemeen ziet de raad in vergelijking tot vier jaar geleden dat instellingen in hun aanvragen duidelijker een eigen profiel presenteren. De raad waardeert het als een instelling de keuzes daarin consequent vertaalt naar het activiteitenplan en dit profiel ook koppelt aan een verdienstrategie.

Bij de vraag welk profiel een instelling kiest, komt ook de positionering ten opzichte van andere instellingen aan de orde – en dus vragen over samenwerking, partnerschappen en soms ook fusies. Samenwerking is in het culturele veld geen vanzelfsprekendheid. De concurrentie om artistieke erkenning, om de gunsten van het publiek en om sponsoren en subsidies is groot. Toch gelooft de raad dat samenwerking het veld veel kan brengen en daarom heeft hij, net als vier jaar geleden, ook in dit advies bij sommige aanvragen gewezen op de noodzaak van samenwerking en alliantievorming. Vooropgesteld: samenwerking is een middel. Het kan bijdragen aan de zichtbaarheid van het artistieke product, aan een groter publieksbereik, aan besparingen – en soms ook aan het voortbestaan van een instelling. In het algemeen vindt de raad dat samenwerking het beste tot stand komt wanneer instellingen of een sector daartoe zelf het initiatief nemen. Regelingen van fondsen, zoals die van het Mondriaan Fonds voor de musea, kunnen als katalysator een stimulerende werking hebben. Maar bij de symfonische orkesten in het oosten van het land is de financiële situatie zo nijpend dat de raad voorstelt om op korte termijn stappen te nemen die moeten leiden tot een gezamenlijke symfonische voorziening voor deze regio. Bij de symfonische voorziening in het zuiden van het land zijn deze stappen in de afgelopen periode gezet.

Kwaliteit van de kernactiviteiten

De kwaliteit van de kernactiviteiten is een essentieel criterium. Wanneer deze naar de mening van de raad tekortschiet, dan geeft hij een negatief subsidieadvies. De subsidieregeling schrijft voor welke kernactiviteiten worden verwacht. Dat loopt per categorie instellingen behoorlijk uiteen. Zo heeft een orkest het verzorgen van symfonisch aanbod als primaire taak en een postacademische instelling het verzorgen van een begeleidingsprogramma op het terrein van de beeldende kunst. Bij een aantal categorieën schrijft de regeling voor dat instellingen de ontwikkeling van (nieuw) talent faciliteren en begeleiden. De raad hecht veel waarde aan deze taak en betrekt het bij zijn oordeel over kwaliteit.

Het oordeel over kwaliteit komt bij de voorbereiding van subsidieadviezen intersubjectief tot stand. Het is gebaseerd op een gezamenlijke waardering van de commissieleden – met hun artistieke kennis en ervaring – en (indien van toepassing) op de monitoring van de instellingen tijdens de huidige BIS-periode. Bij deze waardering wordt rekening gehouden met het profiel en de ambities van de instelling zelf. Van een regionaal georiënteerd orkest wordt bijvoorbeeld geen uitvoeringskwaliteit van mondiaal niveau vereist. Voor een verdere toelichting op de wijze waarop de raad kwaliteit beoordeelt, verwijzen wij naar het Beoordelingskader in de bijlage.

De raad heeft over het geheel genomen veel waardering voor het artistieke niveau van de aanvragende instellingen. Omdat de kernactiviteiten van instellingen zo verschillen, zijn meer algemene waarnemingen over dit criterium opgenomen in de sectorinleidingen.

Educatie en participatie

In de subsidieperiode 2013 – 2016 kregen rijksgefinancierde instellingen de opdracht schoolgebonden educatie aan te bieden aan het onderwijs. Op verzoek van de toenmalige bewindspersoon heeft de raad de afgelopen jaren het aanbod gemonitord door een of meer schoolgebonden activiteiten bij de BIS-instellingen bij te wonen. 1

De raad stelt verheugd vast dat vrijwel alle instellingen de opdracht om schoolgebonden educatie te verzorgen de afgelopen BIS-periode hebben uitgevoerd. De raad ziet een grote diversiteit in de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven: enkele instellingen hebben een professioneel ingerichte educatie-afdeling; sommige werken met professionele docenten, andere werken uitsluitend met vrijwilligers. Deze variëteit heeft onder meer te maken met het ontbreken van duidelijke richtlijnen over wat van de instellingen verwacht werd. Zij zijn vaak zelf op zoek gegaan naar een voor hen passende werkwijze. In sommige steden heeft dit overigens geleid tot overaanbod en af en toe tot concurrentie tussen culturele instellingen. In regio’s buiten de grote steden signaleert de raad eerder een omgekeerde ontwikkeling. Door het afbrokkelen van de culturele infrastructuur, waaronder het wegvallen van de bemiddelings- en distributiefunctie, is het aanbod van cultuureducatie daar beperkt.

De raad ziet dat scholen vaak nog niet voldoende zijn toegerust om de juiste keuzes te maken voor passende cultuureducatie. Die worden regelmatig gemaakt op basis van de ‘aantrekkelijkste folder’ of de populariteit van een instelling. Begeleiding bij het maken van de juiste keuzes wordt in veel gevallen gemist. Daar komt bij dat cultuureducatie logistiek gezien een veelomvattende, tijdrovende en kostbare activiteit is. Er is daarom een belangrijke taak weggelegd voor een gidsfunctie; professionals die de scholen bijstaan in het kiezen van passende culturele partners en activiteiten.

Voor de nieuwe subsidieperiode hebben instellingen de ruimte gekregen zich in bredere zin op educatie en participatie te richten. Bijbehorende activiteiten kunnen betrekking hebben op het primair en voortgezet onderwijs, maar dat hoeft niet per se het geval te zijn; zij kunnen ook gericht zijn op andere onderwijsfases en andere doelgroepen. Behalve op de kwantiteit en invulling van de activiteiten heeft de raad ook gelet op de samenwerkingsverbanden die de instelling aangaan en de wijze waarop zij hun activiteiten evalueren.

Het verheugt de raad dat veel instellingen hebben gekozen voor een vorm van educatie en participatie die aansluit bij hun profiel. De meeste instellingen richten zich nog steeds op schoolgebonden educatie. Maar er ontwikkelt zich ook een interessant aanvullend aanbod. Zo zijn er instellingen die zich gaan richten op educatie voor volwassenen. Sommige instellingen, zoals het Residentie Orkest en Introdans, onderscheiden zich met aanbod voor onder meer senioren. Andere instellingen leggen zich toe op professionals. Ook studenten zijn een nieuwe doelgroep – de raad treft dat bijvoorbeeld aan bij musea, postacademische instellingen en presentatie-instellingen.

De raad is van mening dat cultuuronderwijs een stevige plek verdient in het nieuwe onderwijscurriculum dat in gang is gezet door het Platform 2032. Enkele instellingen vermelden in hun plannen dat zij de uitkomsten van dit platform betrekken in hun educatieprogramma. De raad komt later in een afzonderlijke brief met een reactie op het eindrapport Ons Onderwijs 2032.

Maatschappelijke waarde: publieksbereik

De raad vindt het belangrijk dat meer en diverse publiekgroepen toegang hebben tot het gesubsidieerde culturele aanbod, dus ook jonge mensen en nieuwe Nederlanders. Dat vraagt vindingrijkheid en initiatieven van culturele instellingen. BIS-instellingen hebben, door de rijkssubsidie die ze ontvangen, een zwaarwegende verantwoordelijkheid om cultuuruitingen toegankelijk te maken voor een breed publiek.

Publiek is een optelsom van mensen met uiteenlopende voorkeuren en kenmerken. De samenstelling ervan kan flink verschillen, afhankelijk van stad of regio. In De Cultuurverkenning en de Agenda Cultuur signaleert de raad veranderende publiekspatronen. Het verlangen naar intense ervaringen, naar onderdompeling, sfeer en reuring neemt toe. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de populariteit van festivals. De besteding van vrije tijd wordt, onder invloed van digitale media, vluchtiger. De cultuurdeelnemer is steeds vaker een omnivoor die zich individueel en vaak ook incidenteel aansluit bij onderling verschillende communities. Oude scheidslijnen vervagen; mainstream en subcultuur, hoge of lage cultuur – het beïnvloedt elkaar en vervloeit. Het publiek laat zich dan ook steeds minder binden en leiden door het gezag van kenners en instituties. Het zoekt nieuwe wegwijzers, laat zich leiden door tips van gelijkgestemden, volgt sociale media of de zoekmachines op internet. Kortom, publiekspatronen zijn drastisch aan het veranderen.

De activiteitenplannen van de aanvragende instellingen zijn door de raad getoetst op publieksbereik. Hij heeft bij de beoordeling gelet op de publieksgroepen die de instelling bereikt, in relatie tot het profiel. Ook heeft hij gekeken naar de wijze waarop een instelling een nieuw en meer divers publiek wil gaan bereiken en de wijze waarop de Code Culturele Diversiteit wordt nageleefd. Online bereik en interactie met publiek zijn eveneens meegenomen.

Bij aanvragen van instellingen in de podiumkunsten vindt de raad de meeste aandacht voor publiek en publieksbereik terug. In hun activiteitenplannen hebben veel theatergezelschappen gerefereerd aan het onlangs verschenen rapport ‘Over het voetlicht. Naar een groter en diverser toneelpubliek’. 2 Het verheugt de raad dat zij de aanbevelingen van de commissie overnemen en zich willen inspannen om nieuw en ander publiek te bereiken. Maar er worden in het algemeen nog niet veel concrete plannen ontvouwd.

Het is de raad verder opgevallen dat orkesten zich in hun plannen goed rekenschap geven van veranderende publiekspatronen. De afnemende bezoekersaantallen van enige jaren geleden zijn voor deze sector een wake-up call geweest en de raad ziet veel initiatieven om dit tij te keren. De meeste orkesten houden zich bezig met publieksonderzoek en houden daarmee in hun programmering rekening. Een enkel orkest heeft besloten geen traditionele concerten te programmeren maar het programma in alternatieve formats te presenteren.

Festivals zijn in het algemeen succesvol in het bereiken van een breed publiek. Mede daarom is de raad er voorstander van dat deze functie meer ruimte krijgt in de BIS. De raad zou wel graag zien dat de BIS-festivals zich inspannen om publiek te verleiden ook voorstellingen en concerten in theaters en concertzalen te bezoeken.

De zoektocht naar nieuw en divers publiek is eveneens een opgave voor musea, presentatie-instellingen, film- en lettereninstellingen. Enkele musea hebben de bezoekcijfers de afgelopen jaren sterk zien stijgen door heropeningen of aansprekende tentoonstellingen. Deze musea willen deze bezoekersaantallen vasthouden. Andere zien graag nog een verdere toename. Differentiatie van publiek staat bij veel musea op de agenda. Zo heeft de raad initiatieven gezien die specifiek zijn gericht op ouderen of juist jongeren, mensen met een visuele handicap of publiek met een cultureel diverse achtergrond. Ook hebben enkele musea aangegeven zich te willen gaan richten op vluchtelingen.

De meeste presentatie-instellingen hebben gewerkt aan hun zichtbaarheid en zijn daar vaak goed in geslaagd. Waar presentatie-instellingen voorheen nog voornamelijk kunstprofessionals wisten aan te spreken, is de focus duidelijk verlegd naar een breder en meer divers publiek. Zij doen dit bijvoorbeeld door geëngageerde programmering, samenwerking met kunstenaarsinitiatieven en randprogrammeringen met workshops.

Code Culturele Diversiteit
Over de gehele linie valt het de raad op dat het publiek nog geen afspiegeling vormt van de veranderende bevolkingssamenstelling. De oorzaak hiervan ligt volgens de raad voor een deel in het type aanbod, maar ook het ontbreken van kennis en ervaring om specifieke groepen jongeren te bereiken en aan zich te binden speelt een rol. De raad is van mening dat er voor instellingen veel kansen liggen om het publieksbereik te verbreden en te diversifiëren met de juiste inspanningen, bijvoorbeeld door het inzetten van ambassadeurs. Dit geldt zeker voor de grote steden, waar ongeveer de helft van de inwoners een cultureel diverse achtergrond heeft.

In hun activiteitenplannen voor de komende subsidieperiode besteden de meeste instellingen helaas nog te weinig aandacht aan culturele diversiteit. De raad constateert dat een aantal instellingen in hun activiteitenplannen melding maken van het hanteren van de Code Culturele Diversiteit. Echter, de wijze waarop zij invulling geven aan deze code is in veel gevallen beperkt. Het gaat daarbij vaak over het aanspreken van nieuw publiek door middel van passend aanbod of een passend programma. De invulling van de andere pijlers, personeel en partners, is de raad slechts sporadisch tegengekomen.

Uitzondering hierop vormen de jeugdtheatergezelschappen en filmfestivals. Het is de raad opgevallen dat jeugdtheatergezelschappen in hun plannen reflecteren op dit onderwerp en dat bij deze gezelschappen meer acteurs met een niet-Nederlandse of biculturele achtergrond aangesloten zijn. Bij filmfestivals valt op dat er aandacht is voor invulling van de pijlers publiek, personeel en programma. Ook is daar ruimte voor makers uit andere culturen. De raad blijft erop aandringen dat de Code Culturele Diversiteit door alle instellingen volledig wordt gevolgd. Dit betekent implementatie van de code op alle vier pijlers – publiek, programma, personeel en partners.

Maatschappelijk waarde: ondernemerschap

De raad heeft de aanvragen beoordeeld op financiële en bedrijfsmatige gezondheid en op andere aspecten van ondernemerschap, zoals governance en personeelsbeleid. Omdat in korte tijd een grote hoeveelheid aanvragen op deze aspecten moest worden beoordeeld, is de raad daarbij ondersteund door de adviesbureaus Paul Postma Marketing Consultancy B.V. en APE Public Economics. Deze bureaus hebben een bedrijfseconomische analyse uitgevoerd van alle ingediende aanvragen. Deze analyse had zowel betrekking op kwantitatieve aspecten (zoals de financiële positie, eigen inkomsten en ontwikkeling van baten en lasten) als kwalitatieve aspecten. Bij de beoordeling daarvan is gekeken naar de volledigheid en het realiteitsgehalte van de plannen op de volgende vijf thema’s: financieringsmix en het onderliggende verdienmodel, marketingactiviteiten en prijsstrategie, strategie bij tegenvallende inkomsten, personeelsbeleid en goed werkgeverschap en de naleving van de Governance Code Cultuur. Bij de beoordeling op volledigheid is gekeken in welke mate in de aanvraag aandacht is besteed aan de verschillende thema’s. Bij de beoordeling op realiteitsgehalte gaat het erom of door onderbouwing met concrete activiteiten en cijfers is vast te stellen of de plannen realistisch en geloofwaardig zijn.

De analyses zijn ter beschikking gesteld aan de beoordelingscommissies als informatiebron, naast documenten als de aanvraag, jaarrekeningen en monitoringverslagen. De commissies hebben deze analyses ook altijd beschouwd in relatie tot het profiel van de instelling.

Financiële gezondheid en ambities
De financiële positie van instellingen in de basisinfrastructuur loopt zeer uiteen. Er zijn instellingen die er financieel zeer sterk voor staan en tegen een stootje kunnen. Er zijn echter ook instellingen waarvan de financiële positie zeer zorgelijk is te noemen. De cijfers voor de BIS zijn vrijwel identiek aan de stand van zaken vier jaar gelden. Ook nu heeft 80 procent van de instellingen voldoende eigen vermogen (ten opzichte van de totale balanswaarde) en heeft 65 procent van de instellingen een goed financieel weerstandsvermogen. Vooral in de sectoren film, festivals podiumkunsten, orkesten en theater algemeen is bij veel instellingen sprake van een beperkt of laag weerstandsvermogen.

Met name voor filminstellingen en orkesten is dat reden voor zorg, omdat (bijna) driekwart van de instellingen in die sectoren in 2014 een negatief exploitatieresultaat heeft gerealiseerd. Ook in de sectoren jeugdtheater, postacademische instellingen en opera hebben veel instellingen 2014 afgesloten met een negatief exploitatieresultaat. De cijfers van 2015 laten een positiever beeld zien. Het aandeel instellingen met een negatief exploitatieresultaat is in vrijwel alle sectoren lager dan in 2014. Alleen in de orkestensector is op dit punt in 2015 geen verbetering zichtbaar.

Alle aanvragende instellingen tezamen rekenen op een stijging van de totale baten met ruim 32 miljoen euro in 2020 ten opzichte van 2014. Deze stijging wordt vooral veroorzaakt doordat de aanvragers rekenen op meer structurele subsidie van OCW. Een belangrijk deel van deze stijging zal niet gerealiseerd worden, omdat het aantal aanvragen en de aangevraagde bedragen het maximum van de subsidieregeling te boven gaan. Ook rekenen de aanvragers op hogere structurele subsidies vanuit provincies en gemeenten (11 miljoen euro). In veel gevallen is niet aangegeven of hier sprake is van een wens of van reeds gedane toezeggingen. De raad signaleert afnemende structurele subsidies van andere overheden en fondsen en afnemende incidentele subsidies.

Ook met betrekking tot de eigen inkomsten rekenen de aanvragers op een toename van publieksinkomsten, sponsoring en overige inkomsten. Het realiteitsgehalte van deze toenames loopt sterk uiteen, zowel tussen sectoren als tussen individuele instellingen. Getalsmatig valt hier de museumsector op. Gezamenlijk rekenen de aanvragende musea op 5 miljoen euro meer publieksinkomsten in 2020 ten opzichte van 2014, op 1 miljoen euro meer sponsorinkomsten en op 12 miljoen euro meer overige inkomsten. Opvallend is ook dat de orkesten, de dansgezelschappen en vooral de ondersteunende instellingen rekenen op een verdubbeling (of meer) van de sponsorinkomsten.

Gemiddeld genomen hebben de aanvragers in 2014 67 procent aan eigen inkomsten gerealiseerd. In veel sectoren ligt het eigen inkomstenpercentage rond de 40 procent. Uitschieters naar boven zijn de sectoren festivals podiumkunsten (waar vier van de vijf aanvragers in 2014 nog niet in de BIS waren opgenomen), film en musea.

Governance
De Governance Code Cultuur komt in veel aanvragen slechts zijdelings aan bod. Dat is opvallend omdat de professionalisering van bestuur en toezicht de laatste jaren meer aandacht krijgt en de minister hierover ook expliciet aandacht vraagt in het aanvraagformulier. Slechts een paar instellingen lichten gemotiveerd toe hoe zij de code in praktijk brengen. In de meeste gevallen geven de instellingen slechts aan dat zij de code onderschrijven. De raad kan daardoor niet goed beoordelen hoe aanvragende instellingen met hun toezicht en bestuur omgaan. In die gevallen is in het advies vermeld dat een toelichting ontbreekt. Wanneer opvallende veranderingen of incidenten hebben plaatsgevonden bij een instelling die raken aan bestuur of toezicht, dan had de raad daarop een reflectie verwacht in de aanvraag. Is die niet gegeven, dan stelt de raad dat vast als een tekortkoming in de aanvraag.

De raad vraagt aandacht voor de samenstelling van de raden van toezicht. Opmerkelijk is dat in de periode van bezuiniging gezocht lijkt te zijn naar toezichthouders met een financiële achtergrond, bestuurders van banken en verzekeringsmaatschappijen bijvoorbeeld. Reden hiervoor, zo bleek uit gesprekken met bestuurders, was dat deze toezichthouders nieuwe sponsoren zouden kunnen aantrekken. Of dat daadwerkelijk het gevolg is, is in de jaarrekeningen niet vast te stellen. De raad wijst er bovendien op dat de raden van toezicht soms wel erg eenzijdig zijn samengesteld. Diversiteit is onderbelicht; toezichthouders met een cultureel diverse achtergrond zijn ondervertegenwoordigd.

Het valt de raad in deze subsidieronde opnieuw op dat veranderingen in de leiding grote gevolgen kunnen hebben voor de koers en de prestaties van instellingen, vooral van kleinere en middelgrote instellingen. Hij blijft dan ook aandacht vragen voor de professionalisering van het leiderschap in de cultuursector. De ondersteuning en begeleiding van nieuwe generaties leidinggevenden in de cultuursector is geen overbodige luxe maar geldt als waardevolle investering.

Werkgeverschap en opdrachtgeverschap
Recentelijk heeft de raad samen met de SER een verkenning uitgevoerd naar de arbeidsmarkt in de culturele sector, naar aanleiding van verontrustende signalen die de raad daarover in 2013 en 2014 opving. 3 In deze verkenning komt naar voren dat wie in de cultuursector werkt, vaak een zwakke arbeidsmarkt- en inkomenspositie heeft. Deze conclusie geldt voor mensen die in loondienst werken, maar zeker ook voor zelfstandigen. Het aantal zzp’ers is in de periode 2009 tot en met 2013 met 20,4 procent toegenomen tot bijna 106.000. De gemiddelde toename van het aantal zzp’ers in de Nederlandse economie was in dezelfde periode 9,6 procent. Werknemers in de cultuursector zijn vaak uit noodzaak zelfstandig geworden. Daardoor leven zij in onzekerheid over de continuïteit van hun werk en hun inkomen. Zij verdienen aanzienlijk minder doordat de tarieven voor zelfstandigen onder druk staan. Het werken als zelfstandige leidt vaak tot het vervallen van voorzieningen voor arbeidsongeschiktheid, ziekte en pensioen. De minister heeft daarom de raad gevraagd bij de beoordeling van aanvragen extra te letten op het personeelsbeleid van instellingen.

Op het moment dat de richtlijn voor de subsidieaanvragen werd opgesteld en ook nog op het moment dat de aanvragen werden ingediend, was de aandacht voor goed werkgeverschap en opdrachtgeverschap minder groot. Wellicht daardoor hebben de aanvragende instellingen minder aandacht aan dit onderwerp besteed in hun aanvraag dan de raad en de minister zouden wensen.

In de plannen ziet de raad dat sommige instellingen voornemens zijn om tijdelijke contracten om te zetten in vaste aanstellingen. Het aandeel tijdelijke contracten neemt af van 28 procent in 2014 naar 20 procent in 2020. Deze verwachting breekt met de ontwikkeling die zich de afgelopen periode in zowel de culturele sector als de gehele economie heeft voltrokken, waar sprake is van een toenemend aandeel aan tijdelijke dienstverbanden. Dat geeft medewerkers meer zekerheid, maar de flexibiliteit van de instellingen neemt daardoor wellicht iets af. Mogelijk wordt die flexibiliteit elders gezocht, want de aanvragers voorzien ook stijgingen van zowel het aantal fte’s aan vrijwilligers (van 372 in 2014 naar 448 in 2020) als van de kosten voor inhuur van tijdelijk personeel (van 38,2 miljoen euro in 2014 naar 43,6 miljoen euro in 2020).

Geografische spreiding

Het criterium geografische spreiding gaat over de mate waarin het rijksgesubsidieerde cultuuraanbod over het land is verdeeld. De vestigingsplaats van de instelling is hiervoor bepalend, samen met de mate waarin het cultuuraanbod door het land reist. De spreiding van het aanbod is een manier om cultuur beter toegankelijk te maken voor publiek. Die toegankelijkheid vindt de raad van groot belang. Helaas geeft de BIS door zijn historisch gegroeide samenstelling maar een beperkte invulling aan deze spreiding. Met name in de museumsector valt op dat het rijksgesubsidieerde aanbod is oververtegenwoordigd in de Randstad. Maar ook andere voorzieningen, zoals ondersteunende instellingen, concentreren zich vooral in de vier grote steden. In BIS 2017 – 2020 in beeld is een overzicht opgenomen van de vestigingsplaats van de instellingen waarover de raad een positief advies heeft gegeven.

De raad heeft in Agenda Cultuur (pagina 27-37, pdf) uitgebreid stilgestaan bij de wijze waarop spreiding en toegankelijkheid beter gewaarborgd kunnen worden. Het fondsgesubsidieerde en reizende aanbod speelt daarbij vanzelfsprekend een belangrijke rol. Daarnaast heeft de raad gepleit voor het vergroten van bruikleenverkeer (in de museumsector), een betere digitale ontsluiting van het culturele aanbod en het versterken van de positie van de podia (bij de podiumkunsten). Maar de belangrijkste impuls verwacht de raad van de keuze om de aanwezigheid van voorzieningen meer in handen van steden en regio’s zelf te leggen. De raad pleit er dan ook voor om in de komende beleidsperiode na te gaan hoe dat beter in het rijksbeleid verweven kan worden. Bijvoorbeeld door medefinanciering of matching toe te kennen aan betekenisvolle en samenhangende plannen uit stedelijk regio’s, waaraan lokale instellingen, gemeenten, provincies, ondernemers en andere belanghebbenden zich daadwerkelijk committeren. Meer hierover: Toekomst culturele basisinfrastructuur.

Hoe is de raad omgegaan met geografische spreiding bij de beoordeling van aanvragen? Voor diverse categorieën instellingen is de geografische spreiding van de vestigingsplaats al vastgelegd in de regeling. Dat is het geval bij presentatie-instellingen en instellingen in de sectoren dans, muziek, muziektheater, theater, jeugdtheater en enkele festivals. De raad is bij deze aanvragen nagegaan of een instelling voldoet aan de eisen die worden gesteld met betrekking tot de vestigingsplaats. Wanneer de regeling bijvoorbeeld voorschrijft dat in elk kernpunt een bepaalde voorziening aanwezig moet zijn, dan heeft de raad er eerst op toegezien dat op die locaties een subsidiabel geachte instelling voor subsidie werd voorgedragen.

Met betrekking tot musea en ondersteunende instellingen is spreiding op basis van de vestigingsplaats geen toepasbaar criterium. Musea met een rijkscollectie en ondersteunende instellingen hebben nu eenmaal een bepaalde vestigingsplaats; daarin valt voor de raad weinig te kiezen.

Wanneer verschillende instellingen een aanvraag indienen en de regeling daarover geen uitspraak doet, dan speelt de mate van geografische spreiding wel een rol. Deze afweging heeft de raad bijvoorbeeld gemaakt bij jeugdtheater, presentatie-instellingen en bij de postacademische instellingen. De toelichting daarop is terug te vinden in de sectorinleidingen. Bij een individuele beoordeling is het criterium niet apart behandeld omdat aan een vestigingsplaats alleen geen positief of negatief oordeel is te verbinden. Pas bij vergelijking van de vestigingsplaats van verschillende aanvragende instellingen krijgt deze betekenis in de zin van een bijdrage aan een meer of minder gespreid cultureel aanbod.

Kamerbrief ‘Nieuwe visie cultuurbeleid’, vergaderjaar 2012 – 2013, 32 820, nr. 68, Tweede Kamer, 2012.

Over het voetlicht. Naar een groter en diverser toneelpubliek, Commissie-ter Horst, 2015.

Verkenning arbeidsmarkt culturele sector, Raad voor Cultuur en Sociaal-Economische Raad, 2016.