Inleiding
Bovensectorale
ondersteunende instellingen

Inleiding
Bovensectorale
ondersteunende instellingen

In de BIS is een aantal ondersteunende instellingen met bovensectorale taken opgenomen. Momenteel zijn op vier terreinen ondersteunende functies voorzien: amateurkunst en cultuureducatie, internationaal cultuurbeleid, digitalisering, onderzoek en statistiek. Voor elke functie is een subsidieplafond vastgesteld. Een vijfde functie, ondernemerschap, is niet in de BIS opgenomen, maar de instelling die hiervoor een projectsubsidie van de minister van OCW ontvangt (Cultuur+Ondernemen) heeft inmiddels wel een activiteitenplan ingediend voor de periode 2017 – 2018. De raad zal de minister hierover adviseren buiten het kader van de BIS.

Voor de periode 2017 – 2020 hebben alle vier de instellingen die momenteel al ondersteunende functies vervullen opnieuw geopteerd voor een plek in de basisinfrastructuur. Het gaat het om het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (hierna: LKCA), DutchCulture, Digitaal Erfgoed Nederland (hierna: DEN) en de Boekmanstichting. Daarnaast is er een nieuwe aanvrager voor de functie van ondersteunende instelling op het gebied van digitalisering: het Textile Research Centre. De raad adviseert deze instelling geen subsidie toe te kennen, omdat de aanvraag niet aan de eisen van de regeling voldoet.

De raad oordeelt positief over de subsidieaanvraag van DEN, die betrekking heeft op ondersteunende taken op het gebied van digitalisering. De activiteiten van DEN voorzien de culturele sector van de gewenste kennis en informatie over digitalisering. De instelling heeft volgens de raad een relevant netwerk in binnen- en buitenland en opereert op regionaal en internationaal niveau. De raad waardeert de consciëntieuze en onafhankelijke wijze waarop de instelling haar taken vervult. De functie is in de regeling uitgebreid met de taak om behalve voor erfgoedinstellingen ook kennis te verzamelen voor en te delen met cultuurproducerende instellingen. De raad is positief over de plannen van DEN om in de komende periode haar taken uit te breiden naar het cultuurproducerende deel van de sector.

Ook oordeelt de raad positief over de subsidieaanvraag van het LKCA, die betrekking heeft op ondersteunende taken op het gebied van amateurkunst en cultuureducatie. De raad adviseert wel de subsidie enkel toe te kennen op voorwaarde dat de instelling een aanvullend activiteitenplan indient, waarin zij meer inzicht geeft in de concrete doelstellingen en activiteiten voor de korte en middellange termijn. Volgens de raad heeft de instelling de afgelopen periode laten zien veel kennis in huis te hebben op het gebied van cultuureducatie en -participatie. Hij vindt de instelling echter nog onvoldoende zichtbaar in het veld en verwacht dat het LKCA provinciale en lokale partijen meer betrekt bij zijn werkzaamheden om cultuureducatie en -participatie te ondersteunen in de (stedelijke) regio’s.

DutchCulture heeft een aanvraag ingediend voor de functie internationaal cultuurbeleid. De raad adviseert vooralsnog negatief over subsidiëring van de instelling. Hij adviseert de minister DutchCulture om een nieuw activiteitenplan te vragen, waarin de instelling de recent bijgestelde beleidskaders en de uitkomsten van de evaluatie van het internationale cultuurbeleid door het IOB betrekt. De raad is van mening dat DutchCulture zich nog onvoldoende duidelijk positioneert en verwacht op basis van de evaluatie een reflectie van de instelling op haar eigen functioneren en een daarop gebaseerd plan.

Voor de functie onderzoek en statistiek heeft de Boekmanstichting een aanvraag ingediend. De raad mist in de aanvraag van de Boekmanstichting een toekomstgerichte visie. Ook over subsidiëring van deze instelling adviseert de raad vooralsnog negatief. De raad adviseert de minister de Boekmanstichting te vragen om een nieuw plan, waaruit blijkt op welke wijze de instelling zich gaat toeleggen op het vraaggestuurd verzamelen, valideren, verrijken en verspreiden van kennis over kunst- en cultuur(beleid).

 Algemene indrukken

Een belangrijke overeenkomst van de ondersteunende instellingen is dat zij veelal opereren als kennis- en expertisecentrum rond een beleidsthema. Het valt de raad op dat de ondersteunende instellingen zich over het algemeen tamelijk volgzaam opstellen. De raad vindt dat ondersteunende instellingen meer initiatief moeten nemen – en daarvoor ook bewegingsruimte moeten krijgen – om te kunnen inspelen op nieuwe behoeften en ontwikkelingen in de culturele sector.

Hoewel de instellingen een bovensectorale positie hebben en activiteiten ontwikkelen waarvan de gehele culturele sector de vruchten zou moeten plukken, blijkt vaak dat zij onvoldoende bekend zijn in het veld. De raad moedigt de instellingen aan zich te bezinnen op hun positionering; zowel ten opzichte van andere instellingen die in de culturele sector actief zijn alsook ten opzichte van de ministeries, fondsen en eventuele Europese spelers.

De meeste instellingen zijn voor de communicatie met hun doelgroepen vooral afhankelijk van hun websites, nieuwsbrieven en bijeenkomsten. Om de kennisdeling op peil te houden en de bekendheid van de instituten te vergroten, vindt de raad het onverstandig dat ondersteunende instellingen bezuinigen op deze middelen. Zij zouden juist meer en wellicht ook andere wegen moeten zoeken om hun doelgroepen te bereiken. De legitimering van deze instellingen wordt immers voor een belangrijk deel bepaald door het contact met de gebruikers van hun diensten.

Over het geheel genomen valt het de raad op dat de financiële middelen zeer verschillend zijn verdeeld onder de ondersteunende instellingen in de BIS. De reden hiervoor is hem niet goed duidelijk en hij adviseert dan ook deze verdeling in een volgende BIS-periode opnieuw te bezien.

Onderzoek naar ondersteunende functies

In de gehele culturele sector zijn veel meer ondersteunende organisaties actief dan de bovengenoemde instellingen. Zo zijn er tal van belangenverenigingen en beroepsverenigingen. De raad vindt het belangrijk dat de ondersteunende instellingen in de BIS zichzelf positioneren en dat ze reflecteren op hun rol en functie in de sector, ook in verhouding tot deze overige organisaties.

Tot 2013 waren in de BIS ook nog enkele sectorinstellingen actief die ondersteunende taken verrichtten voor specifieke sectoren, zoals het Theater Instituut Nederland (TIN), het Muziek Centrum Nederland (MCN), Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA), Premsela voor de vormgeversbranche, Virtueel Platform en het Nederlands Architectuurinstituut. De laatste drie instellingen zijn opgegaan in Het Nieuwe Instituut, dat ondersteunende taken verricht op het terrein van de creatieve industrie. Daarnaast voert EYE sectorale ondersteunende taken uit voor de filmsector.

In de afgelopen periode is het weefsel van ondersteunende instellingen door de bezuinigingen uit balans geraakt. Het is de vraag of de activiteitenplannen van de nog bestaande instellingen aansluiten op actuele behoeften in de sector. Bovendien is de impact van de activiteiten nog niet structureel gemeten en geëvalueerd. Er is volgens de raad op dit moment dan ook geen goed zicht op de resultaten.

De minister is van plan om de huidige ondersteuningsstructuur te analyseren. In dat verband zal eerst een onderzoek worden uitgevoerd alvorens de raad om advies zal worden gevraagd. De minister heeft de raad verzocht om in dit BIS-advies aan te geven welke onderzoeksvragen in het feitenonderzoek betrokken moeten worden. Hiervoor doet de raad de volgende suggesties.

Behoefteanalyse

Onafhankelijk uitgevoerde en onderling vergelijkbare klantevaluatie

Internationale en intersectorale vergelijking