Het Nieuwe Instituut

Het Nieuwe Instituut

Stichting Niadec - Het Nieuwe Instituut (hierna: HNI) is een sectorinstituut voor de creatieve industrie. Het ontwikkelt programmalijnen en activiteiten voor de ontwerpdisciplines architectuur, vormgeving en e-cultuur. HNI positioneert zich als rijksarchief voor architectuur en stedenbouw, als museum voor architectuur, design en e-cultuur en als expertisecentrum voor de creatieve industrie, waarbij onderzoek de verbindende factor vormt. HNI stelt zich ten doel om de publieke waardering voor en de maatschappelijke betekenis van architectuur, vormgeving en e-cultuur te vergroten en de wisselwerking tussen die disciplines te versterken. HNI formuleert een visie waarin hij de huidige tijd kenmerkt door radicale veranderingen op technologisch, economisch, cultureel en sociaal gebied. Het instituut wil deze veranderende wereld in kaart brengen en zichtbaar maken. Tegelijkertijd wil HNI de discussie bevorderen over onderwerpen die gerelateerd zijn aan het ontwerpveld.

Subsidieadvies

De Raad voor Cultuur adviseert Stichting Niadec - Het Nieuwe Instituut geen subsidie toe te kennen, tenzij de instelling een nieuw activiteitenplan indient dat in ieder geval voldoet aan de volgende voorwaarden.

  • HNI komt met voorstellen voor veranderingen in de governance en het bestuur die ertoe moeten bijdragen dat de instelling voldoet aan de Governance Code Cultuur.
  • HNI zorgt ervoor dat zijn interne en externe kwaliteitszorg afdoende zijn verankerd.
  • HNI werkt zijn visie verder uit, waarbij hij in het bijzonder aandacht heeft voor zijn positionering, rol en meerwaarde in de culturele en creatieve sector.
  • HNI ontwikkelt een professioneel programma, gericht op educatie en participatie, dat in lijn is met zijn visie en strategie, en waarin hij zich rekenschap geeft van de educatieve partners in zijn omgeving.
  • HNI dient een nieuwe, sluitende begroting in.

HNI heeft weliswaar een aansprekende visie geformuleerd, maar de raad vindt dat het instituut deze onvoldoende vertaalt in de programma’s. Dit heeft negatieve gevolgen voor de samenhang en herkenbaarheid van de activiteiten. De raad vindt dat de instelling zijn rol en meerwaarde van zijn activiteiten voor de sector beter dient te beschrijven en uit te voeren. Hij kan uit de aanvraag niet opmaken hoe HNI zich bij de uitvoering van zijn taken verhoudt tot relevante spelers in de creatieve industrie.

De afgelopen jaren heeft HNI met enkele tentoonstellingen laten zien zowel een professioneel als een breed publiek te kunnen interesseren. Maar over het geheel genomen vindt de raad de resultaten van het instituut te mager. HNI trekt verhoudingsgewijs weinig bezoekers en veroorzaakt nauwelijks discours. Het instituut heeft verder zijn educatieve activiteiten nog niet op een professionele wijze, en in samenspraak met partners in zijn omgeving, vormgegeven. De afstemming van het beleid en de activiteiten met andere relevante spelers in het veld, zoals bijvoorbeeld het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en brancheorganisaties, blijven onderbelicht.

In 2015 bleek na onderzoek dat de instelling enkele cruciale principes van de Governance Code Cultuur niet volgt. De raad had hierop een reflectie van HNI verwacht. Het ontbreken daarvan vindt de raad een tekortkoming in de aanvraag; hij kan zich onvoldoende een oordeel vormen over een verbetering van de governance. De raad maakt zich vanwege deze signalen en de gebrekkige verankering van de interne en externe kwaliteitszorg ernstige zorgen over de governance en het bestuur. Hij adviseert de minister om hierover met de instelling in gesprek te gaan.

Beoordeling

Kwaliteit

HNI heeft de afgelopen periode benut om de fusie van het vormgevingsinstituut Premsela, Het Nederlands Architectuurinstituut en het Virtueel Platform in de praktijk gestalte te geven. De instelling heeft een aansprekende visie geformuleerd die hoge verwachtingen schept. De raad vindt echter geen consequente vertaling van de visie terug in de activiteiten van de instelling.

De programmering van HNI heeft een thematische invalshoek en richt zich op de ontwerpdisciplines. De raad vindt dat HNI zijn potentie om kwalitatief hoogwaardige, goedlopende tentoonstellingen te organiseren onvoldoende benut. Tot nu toe trokken alleen de tentoonstellingen met een duidelijke signatuur, zoals over het werk van Herman Hertzberger en het Tijdelijk Modemuseum, de aandacht van zowel het vakpubliek als een breed geïnteresseerd publiek. De raad is ervan overtuigd dat HNI zijn tentoonstellingsfunctie kan verbeteren door curatoren van naam aan te trekken en een duidelijke relatie te leggen met de visie van het instituut. In de programma’s rondom de fellows liggen bijvoorbeeld voldoende aanknopingspunten voor relevante actuele thema’s. Deze programma’s zijn nu onvoldoende zichtbaar.

HNI schrijft in zijn plan dat het zich nadrukkelijk verbindt aan de culturele dimensie van de creatieve industrie en geen aansluiting zoekt bij het Topsectorenbeleid. Volgens de raad is het echter wel van belang dat HNI een relevante speler wordt in het brede veld van de creatieve industrie en andere sectoren. Daartoe zijn samenwerking en afstemming nodig met relevante organisaties, zoals de brancheorganisaties en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.

HNI heeft begin 2016 de opdracht gekregen om een expertisecentrum op te zetten dat als taak heeft professionele partijen in de creatieve industrie te verbinden en de sector te ondersteunen bij internationale ambities en activiteiten. Het is in dit verband belangrijk dat HNI zich aansluit bij het beleid van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. De raad adviseert de activiteiten en de impact van het nieuwe expertisecentrum te monitoren en tussentijds te evalueren.

Over het internationaliseringsbeleid van HNI merkt de raad op dat het palet van activiteiten is verschraald. Er worden nauwelijks nog reizende tentoonstellingen en/of internationale debatten georganiseerd. Dergelijke activiteiten zijn belangrijke instrumenten voor de promotie van Nederlandse ontwerpers in het buitenland. Activiteiten als de organisatie van biënnales en het bezoekersprogramma zijn uitgelezen kansen voor HNI om een breed draagvlak te creëren.

In de komende periode wil HNI zijn museale functie uitbreiden met de discipline vormgeving. De raad vindt in de aanvraag echter geen nadere uitwerking van dit voornemen terug. Voor de uitbreiding van de museale functie ligt het voor de hand dat HNI deze plannen afstemt met het Centraal Register voor Vormgevingsarchieven (CRVa) en met andere instellingen die relevante vormgevingscollecties beheren.

Ten behoeve van het archiefbeheer wil HNI een restauratieatelier opzetten. De raad vraagt zich af of het instituut het nut en de noodzaak hiervan voldoende heeft onderzocht. In principe is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de aangewezen partij voor taken op dit terrein, vanwege zijn expertise op het gebied van restauratie.

Concluderend oordeelt de raad dat de instelling onvoldoende aandacht besteedt aan de evaluatie van zijn kerntaken – met de daarbij behorende reflectie op verbetering en bijsturing. Hij verwacht van een instituut van deze omvang en statuur een goede verankering van de interne en externe kwaliteitszorg.

Educatie en participatie

Ten aanzien van educatie en participatie richt HNI zich op het primair en voortgezet onderwijs. In het plan ontbreekt een ambitieus en professioneel educatieprogramma voor diverse doelgroepen. HNI laat daar kansen liggen; de programmalijnen architectuur, e-cultuur en design lenen zich er immers goed voor om aan te sluiten op een leerlijn die 21st century skills stimuleert.

De raad verwacht dat HNI zich, naast het primaire en voortgezet onderwijs, ook concreet oriënteert op het grote aanbod van mbo- en hbo-opleidingen in Rotterdam. Het kan zich aansluiten bij een stevig lokaal netwerk van educatieprofessionals, met het Kenniscentrum Cultuureducatie Rotterdam als spil hierin. In de aanvraag worden deze voor HNI belangrijke partners echter niet genoemd.

Maatschappelijke waarde

Publieksbereik

Volgens de raad moet HNI, gelet op de functie en omvang van het instituut, zeker in staat zijn om op jaarbasis 100.000 betalende bezoekers te trekken. De raad baseert zich hierbij op bezoekersaantallen van vergelijkbare instituten. Ter illustratie: EYE ontvangt jaarlijks 265.500 betalende bezoekers, Beeld en Geluid 267.000 (in 2014). Instellingen in de directe omgeving trekken bovendien ook aanzienlijke bezoekersaantallen, zoals bijvoorbeeld de nabijgelegen Kunsthal (ruim 252.000 betalende bezoekers). De door HNI geambieerde 50.000 betalende bezoekers per jaar vindt de raad te mager.

De website van HNI is in de afgelopen periode goed gebruikt voor het ontsluiten van het architectuurarchief. Dit past prima bij de ambitie van de overheid om door middel van digitalisering collecties toegankelijker te maken voor publiek.

Ondernemerschap

De financiële positie van HNI is gezond. Het instituut beschikt over een eigen vermogen van 2,5 miljoen euro, waarmee het een buffer heeft om tegenvallende inkomsten op te vangen. Ook de liquiditeitspositie van HNI is in orde. Voor HNI geldt geen eigen inkomstennorm; het instituut voorziet overigens een aanzienlijke toename van de eigen inkomsten in de komende periode. Zo verwacht het een spectaculaire toename van sponsorbijdragen (van 20.000 naar 450.000 euro) en denkt het de geslonken publieksinkomsten terug te kunnen brengen naar het hogere niveau van 2013. In de aanvraag onderbouwt het instituut deze doelstellingen echter niet. Er zijn verder plannen om meer inkomsten te behalen uit de horecafunctie van het gebouw. Opvallend in dit verband is het voornemen om kantoorruimtes een bestemming te geven als hotel-restaurant. De raad oordeelt hier negatief over, omdat deze functie niet aansluit bij het profiel van de instelling.

Het personeelsbestand van HNI is de afgelopen periode afgeslankt. Daarbij werd ook beoogd een verschuiving te maken van overhead- naar productiekosten. Op grond van de cijfers constateert de raad echter dat HNI daarin niet volledig is geslaagd; de overheadkosten dalen maar licht. Inmiddels werkt het instituut met een mix van vast en tijdelijk personeel, aangevuld met een flexibele schil van freelancers.

Uit de aanvraag blijkt niet hoe het interne en externe toezicht zijn vormgegeven. Dit vindt de raad opmerkelijk, vooral ook omdat Cultuur+Ondernemen eind 2015 een kritisch rapport heeft uitgebracht over de toepassing van de Governance Code Cultuur. De raad had verwacht dat dit rapport HNI zou aansporen om uitgebreid op het toezicht en de governance te reflecteren.

Het Nieuwe Instituut

Het Nieuwe Instituut

Aanvullend advies
14 juli 2016

HNI stelt in zijn reactie dat het advies van de raad een aantal feitelijke onjuistheden bevat. Ook geeft het instituut aan dat het referentiekader van de raad niet strookt met de opdracht die HNI heeft gekregen als ondersteunende instelling.

HNI wijst de raad erop dat de typering ‘sectorinstituut voor de creatieve industrie’ onjuist; door oud-staatssecretaris Zijlstra is het gepositioneerd als ondersteunende instelling voor de creatieve industrie. Ook meent HNI dat de raad zich er geen rekenschap van geeft dat het instituut tegelijk opereert binnen de kaders van de nieuwe Erfgoedwet, de BIS en het beleid voor de creatieve industrie. De raad erkent dat het instituut op grond van de subsidieregeling en de aanduiding in de subsidieaanvraag moet worden getypeerd als ondersteunende instelling voor de creatieve industrie.

HNI reageert op de kritiek van de raad dat uit de aanvraag niet is op te maken hoe het instituut zich bij de uitvoering van zijn taken verhoudt tot relevante spelers in de creatieve industrie. Deze kritiek komt volgens HNI voort uit dezelfde onjuiste zienswijze dat het een sectorinstituut zou zijn. De raad ziet dit verband niet. Hij heeft zich voor zijn advies gebaseerd op de informatie uit de subsidieaanvraag. Hierin wordt onvoldoende duidelijk gemaakt hoe HNI zich positioneert ten opzichte van andere relevante partijen binnen de sector Creatieve Industrie.

Volgens HNI heeft de raad onterechte verwachtingen ten aanzien van de tentoonstellingsfunctie, waarbij hij ook verwijst naar de reizende tentoonstellingen van een aantal jaren terug. HNI stelt dat deze tentoonstellingen ooit allemaal uit het budget van Dutch DFA zouden zijn gefinancierd. De raad bestrijdt dit. Zowel Premsela als het Nederlands Architectuur Instituut (NAi) produceerden reizende tentoonstellingen, waarvan slechts enkele (deels) door Dutch DFA werden gefinancierd.

HNI vindt het oordeel van de raad over de omgang met governance en bestuur problematisch. Het instituut benadrukt dat het vraagstuk rondom governance speelde in 2015 en dat het inmiddels maatregelen heeft genomen op basis van een rapport van Cultuur+Ondernemen. HNI verwijst in zijn reactie naar zes besluiten die de raad van toezicht op 7 december 2015 heeft gepubliceerd, zoals het gefaseerd aftreden van die raad, de uitbreiding naar een tweehoofdig bestuur en de verzwaring van de taken van de bestuurssecretaris als governance officer. Hiermee geeft HNI naar eigen zeggen blijk van een bewuste, deugdelijke omgang met vraagstukken rondom toezicht. De raad is op de hoogte van de geschetste situatie, maar is van mening dat HNI in zijn subsidieaanvraag hierop had moeten reflecteren zodat hij – en de minister – zich een oordeel kunnen vormen over de verbetering van de governance.

HNI wijst erop dat de statutaire naam sinds 2 september 2013 Stichting Het Nieuwe Instituut luidt. De raad gebruikt in het advies inderdaad ten onrechte de naam Stichting NIADEC.

HNI merkt op dat de raad een foutieve benaming hanteert van ‘het vormgevingsinstituut Premsela’. Het Vormgevingsinstituut was de voorganger van Premsela, dat als stichting de benaming ‘Premsela, Nederlands Instituut voor Design en Mode’ hanteerde. De raad wijst erop dat ‘vormgevingsinstituut’ in de bewuste zin geen deel uitmaakt van de naam, maar een beknopte kwalificatie betreft van het instituut, dat hij verder enkel benoemt als Premsela.

HNI constateert dat de raad in zijn advies kritisch is over de kwaliteit, maar niet over de verankering van het interne en externe kwaliteitstoezicht. De raad benadrukt dat hij in zijn advies kritisch is over de kwaliteit van de output én in het verlengde daarvan kritische kanttekeningen plaatst bij de wijze waarop HNI zijn interne en externe kwaliteitszorg heeft georganiseerd en geborgd. Ten aanzien van dit laatste onderwerp vraagt de raad in zijn advies om een nadere toelichting en uitwerking.

De raad schrijft dat HNI de afgelopen jaren met enkele tentoonstellingen heeft laten zien zowel een professioneel als een breed publiek te kunnen interesseren. HNI schrijft te veronderstellen dat het begrip ‘enkele’ slaat op de publiekstrekkers, omdat het alleen al in 2015 zeventien tentoonstellingen organiseerde. De raad beaamt dit, maar vindt dit niet voldoende. Dat blijkt uit de zin die hij in zijn advies op voorgaande opmerking laat volgen: ‘Over het geheel genomen vindt de raad de resultaten van het instituut echter te mager.’

De kritiek van de raad dat HNI verhoudingsgewijs weinig bezoekers trekt en nauwelijks discours veroorzaakt, vindt het instituut onterecht. Volgens HNI zou het ministerie van OCW de instelling hebben opgedragen om 300.000 bezoekers te halen: 250.000 lokaal, regionaal en internationaal en 50.000 betalende bezoekers per jaar in de Rotterdamse hoofdlocatie. De raad wijst erop dat eventuele, latere prestatieafspraken tussen OCW en HNI niet openbaar zijn. Zoals bij alle instellingen in de BIS gaat de raad uit van de prestatieafspraken die OCW in de beschikking van de subsidietoekenning voor 2013 – 2016 heeft laten opnemen. Hierin staat dat HNI geacht wordt jaarlijks 315.000 bezoekers te trekken, onder wie 10.500 scholieren. De raad vindt overigens dat een instituut met de omvang en de middelen als HNI zich niet tevreden mag stellen met een vooruitzicht van slechts 50.000 betalende bezoekers per jaar.

Met betrekking tot de opmerking van de raad dat de programma’s rond de fellows onvoldoende zichtbaar zijn, vraagt HNI zich af wat hierbij de norm is en hoe de zichtbaarheid ervan moet worden getoetst. De raad heeft in de subsidieaanvraag geen nadere toepassing of uitwerking gevonden van de programma’s rond de fellows. Hij is positief over deze programma’s en denkt dat de inhoud ervan relevant en interessant is. De programma’s kunnen volgens de raad meer opbrengen dan nu het geval is, bijvoorbeeld door er tentoonstellingen en andersoortige presentaties aan te verbinden.

HNI merkt op dat het in zijn aanvraag, ten aanzien van de ‘Bedreigde Vormgevingsarchieven’, niet om een uitbreiding van zijn museale functie gaat. De passage moet volgens HNI worden gelezen als een verzoek aan de raad om een standpunt in te nemen over architectuurarchieven. HNI ziet hier een mogelijke nieuwe rol voor zichzelf weggelegd. De raad heeft in de subsidieaanvraag geen concrete uitnodiging gelezen om een standpunt in te nemen over de architectuurarchieven en de staat waarin zij verkeren. De raad is wel bereid hierover op een later moment de minister te adviseren.

HNI stelt dat het geen restauratieatelier wil opzetten. Wel wil het instituut het beheer van het archief verbeteren. Volgens HNI heeft het ministerie van OCW het instituut expliciet geadviseerd om een subsidieverzoek in te dienen voor optimalisatie van het archief. De raad merkt op dat het transparanter was geweest om in de subsidieaanvraag aan een dergelijk expliciet verzoek van het ministerie te refereren. Daarin vermeldt HNI dat, mocht het instituut meer subsidie ontvangen voor het behoud van de collectie, hij van plan is een restauratieatelier te realiseren. Dit laatste is volgens de raad een onnodige investering, aangezien er voldoende goed geëquipeerde restauratieateliers voor handen zijn. Met betrekking tot ondersteuning voor het archiefbeheer verwijst de raad daarom naar de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

In reactie op de constatering van de raad dat HNI kansen laat liggen om met de programmalijnen architectuur, e-cultuur en design aan te sluiten op een leerlijn die 21st century skills stimuleert, benadrukt het instituut dat het zich – blijkens de eerste paragraaf van het onderdeel ‘Educatie’ in zijn aanvraag – juist hierop richt. De raad ontkent niet dat HNI de 21st century skills een centrale rol wil geven in zijn educatieve aanbod, maar treft in de subsidieaanvraag geen concrete plannen aan.

Ten slotte kan HNI zich niet vinden in het negatieve oordeel van de raad over het voornemen om kantoorruimtes een bestemming te geven als hotel-restaurant. De raad begrijpt dat HNI mogelijkheden ziet in de exploitatie van horeca, maar in de aanvraag geeft het instituut hierop geen toelichting; er wordt geen relatie gelegd tussen zulke faciliteiten en de missie en kernactiviteiten van het instituut.

De Raad voor Cultuur ziet in de reactie van het Nieuwe Instituut geen aanleiding zijn advies te herzien. De raad kijkt uit naar het nieuwe activiteitenplan van de instelling.

Het Nieuwe Instituut

Het Nieuwe Instituut

Aanvullend advies
2 december 2016

De raad heeft op 19 mei 2016 geadviseerd Stichting Het Nieuwe Instituut geen subsidiebedrag toe te kennen, tenzij wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De minister heeft dit advies overgenomen. Zij heeft de instelling in haar subsidiebeschikking van 20 september 2016 verzocht een aangepast activiteitenplan – inclusief sluitende begroting – in te dienen dat voldoet aan de volgende voorwaarden:

  1. De instelling komt met voorstellen voor veranderingen in de governance en het bestuur die ertoe moeten bijdragen dat zij voldoet aan de Governance Code Cultuur.
  2. De instelling zorgt ervoor dat de interne en externe kwaliteitszorg afdoende zijn verankerd.
  3. De instelling werkt haar visie verder uit, waarbij in het bijzonder aandacht is voor de positionering, de rol en de meerwaarde van Het Nieuwe Instituut in de culturele en creatieve sector.
  4. De instelling ontwikkelt een professioneel programma gericht op educatie en participatie, dat in lijn is met de visie en strategie, en waarin zij zich rekenschap geeft van de educatieve partners in de omgeving.

In dit advies beoordeelt de raad of de instelling aan deze eisen heeft voldaan. Voor het overige handhaaft hij zijn beoordeling van 19 mei 2016.

Conclusie

De Raad voor Cultuur is van oordeel dat het aangepaste activiteitenplan van Stichting Het Nieuwe Instituut heeft voldaan aan de eerste drie voorwaarden. Ten aanzien van de voorwaarde over het educatieve programma adviseert de raad de instelling om een nadere uitwerking te vragen.

De raad vindt dat Het Nieuwe Instituut (hierna: HNI ) heeft geluisterd naar de kritiek en met een aanzienlijk verbeterd plan is gekomen. HNI geeft een goede beschrijving van zijn visie en de doorwerking ervan in de programmaonderdelen en het activiteitenprogramma. HNI verwoordt hoe het instituut van meerwaarde is voor de sector. HNI is ook tegemoetgekomen aan de eisen ten aanzien van de governance. De raad constateert dat het interne toezicht is verbeterd. De plannen ten aanzien van het educatieprogramma zijn naar de mening van de raad nog niet duidelijk uitgewerkt in een educatief plan en bijbehorende begroting.

Beoordeling

Governance

HNI beschrijft in zijn activiteitenplan welke maatregelen in de loop van 2016 zijn genomen om de toepassing van de Governance Code Cultuur aan te scherpen. Deze aanpassingen werden gedaan naar aanleiding van het onderzoek dat eind 2015 door Cultuur+Ondernemen werd gepubliceerd over de wijze waarop de Governance Code Cultuur is nageleefd tijdens de organisatie van het Tijdelijk Modemuseum. HNI beschrijft in zijn plan het proces rondom de totstandkoming van deze tentoonstelling, waarvoor een van de leden van de toenmalige raad van toezicht optrad als curator.

Het interne toezicht is door de genomen maatregelen sterk verbeterd. Er is een nieuwe voorzitter aangetrokken en de leden zijn gefaseerd afgetreden. De directie is omgevormd tot een raad van bestuur, en er is een directeur business & development aangesteld. Het gepresenteerde organogram roept bij de raad echter nog wel enkele vragen op over het interne besluitvormingsproces. Zo wordt het de raad niet duidelijk hoe de informatiestromen bij de bestuurders terechtkomen. Ook blijft het voor de raad onduidelijk hoe het bestuur de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft verdeeld. De raad adviseert deze zaken vast te leggen in een bestuursreglement.

Kwaliteitszorg

HNI biedt inzicht in de wijze waarop de kwaliteitscontrole is ingericht. HNI refereert in dit verband aan een Handboek Administratieve Organisatie. Ter illustratie werkt HNI twee elementen uit dit handboek nader uit: de systematiek van projectbeheersing en de rapportagevormen. HNI zet een aantal externe partijen in voor de (kwaliteits)controle. Ook maakt het inzichtelijk hoe projecten tot stand komen en hoe deze worden geëvalueerd. De raad waardeert het dat HNI een handboek hanteert voor de kwaliteitscontrole en dat het instituut moeite doet om de programma’s met behulp van externen te evalueren. Het blijft nog wel onduidelijk hoe de informatie uit evaluaties wordt opgenomen en verwerkt in de volgende beleidscyclus.

Visie en positionering

HNI positioneert zich als een landelijk sectorinstituut met ondersteunende taken. Het instituut werkt zijn visie uit in de inhoudelijke programmering en verbindt deze aan de pijlers ‘museum voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur’; ‘het rijksarchief voor architectuur & stedenbouw’; ‘het agentschap voor architectuur, vormgeving en digitale cultuur’. Research & development is het verbindende element.

De raad is positief over de wijze waarop HNI toelicht hoe de inhoudelijke programmering bijdraagt aan zijn positionering. Door relevante externe partijen bij de programmering te betrekken, zal HNI het draagvlak voor en de impact van de programmaonderdelen kunnen vergroten. HNI heeft recentelijk contact gelegd met het College van Rijksadviseurs om de programmalijn Architectuur te versterken. Uit deze keuzes blijkt dat HNI zowel aandacht schenkt aan de afzonderlijke disciplines als aan cross-overs. De raad juicht dit toe. Het eerste wordt bijvoorbeeld geïllustreerd met een solotentoonstelling over architectenbureau MVRDV, of met een tentoonstelling over Dutch Design. Cross-overs ziet de raad terug bij het Agentschap of in de thematische tentoonstelling over robotisering.

Bij de raad schept een dergelijke mix van discipline-georiënteerde activiteiten en cross-overs wel verwachtingen ten aanzien van de bezoekersaantallen, omdat het instituut daardoor gerichter publiek kan trekken. HNI begroot het aantal betalende fysieke bezoekers nog steeds tamelijk behoudend, ook al zijn de ambities inmiddels wel bijgesteld van 50.000 in 2017 tot 70.000 betalende bezoekers in het jaar 2020. De raad spreekt de hoop uit dat het instituut zijn bezoekersaantallen sterker weet te verhogen.

De raad waardeert het dat HNI zijn programmakeuzes wil onderbouwen met behulp van gepeilde behoeften van de verschillende sectoren. In het plan ontbreekt echter een beschrijving van de wijze waarop HNI die behoeften peilt. HNI presenteert een lange lijst met samenwerkingspartners, maar licht de aard van de samenwerking niet toe.

Educatie

HNI werpt zich op als landelijke speler op het gebied van de ontwikkeling van leermiddelen en/of leermodules over de ontwerpdisciplines en ziet ook een taak voor zichzelf weggelegd in het stimuleren van de ontwikkeling van 21st century skills. HNI beoogt een landelijk inzetbaar aanbod te realiseren dat kinderen en jongeren op laagdrempelige wijze laat kennismaken met ontwerpen als professie, en dat de nieuwsgierigheid aanwakkert om ook zelf te gaan ontwerpen. HNI wil dit bereiken door een mix van online en ‘live’ educatief aanbod te ontwikkelen.

De raad waardeert de ambitie van HNI om zich te positioneren als landelijke speler op het terrein van de ontwikkeling van leermodules. De raad vindt het in dit opzicht een interessant plan om een leerlijn rond architectuur en erfgoed te ontwikkelen en deze aan het Rijksarchief te koppelen. De raad is echter van mening dat dit plan meer zou moeten behelzen dan een landelijk gedistribueerd collectieboek voor kinderen. Een leerlijn vergt, naast leermethodes en -middelen, een uitwerking van leerdoelen en eindtermen.

HNI schrijft dat het contacten heeft met lokale partijen zoals architectuurcentra, scholen en de SKVR. Hiermee komt de instelling tegemoet aan het verzoek om zich voor het educatieprogramma te verhouden tot lokale organisaties. Omdat een nadere uitwerking van de educatieve plannen ontbreekt, wordt de raad niet duidelijk hoe concreet de contacten met architectuurcentra en instellingen als de SKVR zijn. Ook in de begroting ziet de raad geen aanwijzingen dat HNI daadwerkelijk een professioneel educatieprogramma ontwikkelt, met inbegrip van een landelijke leerlijn.